Uitleg bij de cijfers

In dit dashboard staan verschillende cijfers die ons vertellen hoe het ervoor staat met beheersen van COVID-19. Op deze plek geven we meer toelichting over de wijze waarop de cijfers zijn samengesteld.

Gemelde prikken

Het aantal gemelde prikken wordt dagelijks handmatig bijgewerkt op basis van data van de GGD’en en het LNAZ. Deze data zijn op dit moment nog niet beschikbaar als open data.

Berekend aantal prikken

De cijfers van het aantal gemelde prikken zijn niet compleet, omdat de registratiesystemen van de zorginstellingen en huisartsenpraktijken nog niet gekoppeld zijn aan het centrale registratiesysteem van het RIVM (CIMS). Handmatig bijwerken is vanwege het grote aantal instellingen en huisartsenpraktijken niet haalbaar. Daardoor is onbekend hoeveel prikken er precies zijn gezet in instellingen en huisartsenpraktijken. Om toch een zo goed mogelijk beeld te geven van het aantal gezette prikken, toont het dashboard vanaf 31 januari 2021 tijdelijk een berekening van het RIVM van hoeveel prikken er zijn gezet. Op de website van het RIVM staat een toelichting op de berekening.

Bij de aantallen gevaccineerden in langdurige zorginstellingen worden ook de prikken meegeteld die sinds 23 maart aan hoog-risico patiënten worden gegeven in de ziekenhuizen. Deze zijn met de huidige methode niet te onderscheiden van de prikken die in GGZ instellingen worden gezet.

Wanneer de rapportage van het aantal gezette prikken is geautomatiseerd, zal het dashboard overschakelen op data uit CIMS. Op het moment dat deze aanpassing van werkwijze wordt doorgevoerd, kan dat een plotselinge verandering in de cijfers opleveren, net als bij de wijziging op 31 januari 2021.

Veranderingen in de cijfers

Vrijdagmiddag 2 april is besloten om mensen onder de 60 tijdelijk niet te prikken met het vaccin van AstraZeneca, in afwachting van nadere informatie vanuit EMA. Daarom is op 6 april op het dashboard het verwachte aantal geplande prikken in de week van 5 tot en met 11 april naar beneden bijgesteld. Zodra er meer inzicht is in hoe en wanneer we doorgaan met AstraZeneca na de prikpauze, komen hierover bijgewerkte cijfers op het dashboard.

Eind maart heeft het RIVM nauwkeuriger berekend hoeveel prikken er met welk vaccin zijn gezet. Per 1 april is de grafiek ‘Geleverde en beschikbare vaccins & gezette prikken in totaal’ daardoor iets gewijzigd. Van 1 tot en met 24 maart is een te laag aantal prikken berekend voor AstraZeneca, omdat door een fout in de programmering een aantal prikdagen bij de huisartsen en instellingen niet waren meegeteld terwijl er wel prikken zijn gezet. Deze fout is op 6 april hersteld op het dashboard.

Op 24 en 25 maart een te hoog aantal prikken in instellingen gerapporteerd op het dashboard. Er zijn per abuis prikken meegeteld die op de BES gezet zijn, door een fout in de codering. Deze fout is op 26 maart hersteld.

Aantal gevaccineerden

Het dashboard toont op dit moment het aantal gezette prikken. Tot 27 januari 2021 was het aantal gezette prikken gelijk aan het aantal personen dat een eerste prik heeft gehad. Mensen hebben twee prikken nodig. Vanaf 27 januari 2021 krijgen de eerste gevaccineerden hun tweede prik. Het aantal gezette prikken is vanaf dat moment hoger dan het aantal mensen dat een prik heeft gehad. Zodra er geautomatiseerde cijfers beschikbaar zijn over het aantal volledig gevaccineerde personen, zullen deze op het dashboard worden getoond.

Leveringen

Gegevens over de leveringen van vaccins zijn afkomstig van het RIVM. Het dashboard toont hoeveel vaccins in totaal geleverd én gecontroleerd zijn. Op nieuwe leveringen worden standaard eerst een aantal controles uitgevoerd. Daarna zijn de vaccins beschikbaar voor toediening. Het dashboard toont dus alleen cijfers over beschikbare vaccins en niet over vaccins die al wel geleverd maar nog niet gecontroleerd zijn.

Het RIVM en andere instanties delen ook aantallen geleverde vaccins voordat ze gecontroleerd zijn. Deze aantallen geleverde vaccins liggen hoger dan de aantallen die op het dashboard staan.

Tot 23 maart bevatte de grafiek ook leveringen voor het Caribisch gebied (Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Per 23 maart tonen we in de hele grafiek alleen de vaccins voor Europees Nederland, omdat we bij de gezette prikken ook alleen gegevens over Europees Nederland tonen. Bovendien houdt de hele grafiek vanaf 23 maart rekening met 5% verspilling. Ongeveer 5% van de geleverde en gecontroleerde vaccins wordt niet toegediend. Dit is bijvoorbeeld het laatste restje in een flacon dat niet genoeg is voor een prik. Door de aanpassingen liggen de aantallen geleverde en beschikbare vaccins lager dan voorheen. De grafiek geeft daarmee beter weer hoeveel prikken er daadwerkelijk kunnen worden gezet met de geleverde vaccins.

De cijfers over vaccinatiebereidheid komen uit het gedragsonderzoek van het RIVM. Daarin wordt gevraagd of mensen zelf een prik willen krijgen tegen corona. Het RIVM levert deze cijfers aan als open data. In de RIVM Data Catalogus staat de beschrijving van deze dataset.

Er zijn ook andere terugkerende onderzoeken die de vaccinatiebereidheid meten, bijvoorbeeld het onderzoek van I&O research en het onderzoek van Ipsos. Het RIVM doet ook nog een ander onderzoek (WP3) dat de vaccinatiebereidheid meet, maar dit onderzoek wordt minder vaak uitgevoerd.

De uitkomsten van de onderzoeken kunnen verschillen. Dit komt onder andere doordat het RIVM in het gedragsonderzoek alleen de mensen meetelt die duidelijk ‘ja’ antwoorden op de vraag of ze een prik willen krijgen, terwijl andere onderzoeken ook alle mensen meetellen die ‘waarschijnlijk wel’ een prik willen. Ook kan de datum van het onderzoek invloed hebben op de vaccinatiebereidheid, omdat de vaccinatiebereidheid verandert over tijd.

Het aantal positief geteste mensen wordt dagelijks gepubliceerd als open data door het RIVM. Zie hier de beschrijving van deze dataset. Het gaat om het aantal positief geteste mensen die aan het RIVM gemeld zijn in de afgelopen 24 uur, tot 10.00 op de dag van publicatie van het cijfer. De datum die gebruikt wordt, is de datum van melding door de GGD bij het RIVM. Dat is dus niet hetzelfde als de datum waarop mensen zijn getest.

Artsen en laboratoria moeten besmettingen met infectieziekten melden bij de GGD. Er worden echter ook tests afgenomen door particuliere organisaties en door individuen. De uitslagen hiervan worden niet altijd bij de GGD gemeld of de melding telt niet mee omdat de test die gebruikt is niet voldoet aan de normen van het RIVM. Het (dagelijks) aantal besmettingen dat we op het dashboard weergeven geeft dus geen compleet beeld. Daar moet rekening mee gehouden worden bij het interpreteren van dit cijfer.

Het doorgeven van cijfers is deels mensenwerk. Het komt voor dat op het moment dat het RIVM de balans opmaakt over het laatste etmaal nog niet alle besmettingen goed zijn doorgegeven door de GGD’en. Ontbrekende meldingen worden dan later alsnog doorgegeven. Het ontbreken van meldingen of het vertraagd doorgeven van meldingen kan het dagelijkse beeld vertekenen. Het voortschrijdende gemiddelde filtert dit soort fluctuaties eruit en geeft daarom vaak een beter beeld.

Het RIVM kan ook met terugwerkende kracht correcties uitvoeren op eerder gepubliceerde cijfers. Deze correcties komen dan in het open databestand te staan en worden overgenomen door het dashboard. Het databestand registreert op niveau van veiligheidsregio en gemeente. Om tot landelijke gegevens te komen tellen we alle meldingen bij elkaar op. In het aanleverbestand wordt voor sommige meldingen de gemeente en/of veiligheidsregio niet vermeld, omdat die gegevens ontbreken. Die kunnen dan niet op dat niveau worden getoond, maar wel op landelijk niveau.

We berekenen op basis van de absolute aantallen het relatieve aantal positief geteste mensen naar rato van het aantal inwoners. Dit doen we door het aantal positief geteste mensen te delen door het aantal inwoners van Nederland of de desbetreffende veiligheidsregio of gemeente. We geven dit weer als het aantal positief geteste personen per 100.000 inwoners. Het aantal inwoners landelijk, per veiligheidsregio en per gemeente wordt gebaseerd op deze CBS-indeling.

De signaalwaarde voor het aantal positief geteste mensen bedraagt 7 op de 100.000 inwoners. Dit betekent dat vanaf deze waarde mogelijk het aantal besmettingen te hard oploopt om het virus in de hand te houden. Deze waarde wordt bijvoorbeeld ook in Duitsland gehanteerd. Een signaalwaarde functioneert als een ‘alarmbel’ om met urgentie naar de situatie te kijken.

Leeftijdsgroepen

De leeftijdsverdeling wordt bepaald op basis van een ander open databestand van het RIVM. Dit omdat in het gemeentelijke bestand geen leeftijden worden geregistreerd. De gebruikte datums in het bestand voor de leeftijdsverdeling zijn: (1) de eerste ziektedag, (2) als dat niet bekend is, dan de dag van de (eerste) positieve laboratoriumuitslag, (3) als dat ook niet bekend is, dan de dag waarop de melding bij de GGD is binnengekomen.

Ter vergelijking; het gemeentelijke bestand gebruikt de datum van melding door het RIVM, wat per positieve testuitslag meestal verder in de toekomst ligt. Er zijn daarom verschillen tussen de grafiek voor het absoluut aantal positief geteste personen en de leeftijdsverdeling. Ook worden in de grafiek voor de leeftijdsverdeling gemiddelden getoond over de afgelopen zeven dagen. Daarnaast zijn er positieve testuitslagen van mensen waarvan de leeftijd onbekend is. Om leeftijdsgroepen met elkaar te kunnen vergelijken, wordt het aantal positieve tests per 100.000 mensen uit die specifieke leeftijdsgroep berekend. De bevolkingsgrootte per leeftijdsgroep wordt bepaald aan de hand van deze CBS-indeling.

Bijvoorbeeld: het zevendaags gemiddelde van het aantal positieve tests van mensen ouder dan 90 jaar is op 1 oktober 2020: 26,14. De totale omvang van de leeftijdsgroep met mensen ouder dan 90 jaar in Nederland is 129.831. Het aantal positieve tests per 100.000 uit de leeftijdsgroep 90+ is dan 100.000 / 129.831 * 26,14 = 20,13.

Door dit met alle leeftijdsgroepen te doen, ontstaat een inzichtelijk beeld van het aantal positieve tests per leeftijdsgroep en kunnen we de groepen met elkaar vergelijken. Het landelijk gemiddelde in de leeftijdsgrafiek is het gemiddelde met alle gevallen waarvan de leeftijd bekend is. Bij een vergelijking van bijvoorbeeld de leeftijdsgroep 90+ met het landelijk gemiddelde, bestaat dit landelijke gemiddelde uit alle leeftijdsgroepen inclusief die van 90+.

In de leeftijdsverdeling is zichtbaar dat vooral de laatste dagen nog niet compleet zijn. Het RIVM vult met terugwerkende kracht de cijfers aan en kan ook correcties doorvoeren.

Groeigetal

Het Groeigetal (of G-getal) geeft de procentuele ontwikkeling van het aantal positieve tests in de afgelopen 7 dagen ten opzichte van het aantal positieve tests in de 7 dagen ervoor. Voor de berekening van het Groeigetal moeten cijfers beschikbaar zijn van 14 rapportagedagen (de afgelopen 7 dagen + de 7 dagen ervoor).

De historie van het Groeigetal wordt dagelijks opnieuw berekend door het Ministerie van VWS op basis van de data van het RIVM, zodat eventuele correcties vanuit het RIVM op aantallen positieve tests verwerkt zijn in het historische verloop van het Groeigetal. De berekening van het Groeigetal sluit aan bij de methode die door Stichting IPSE Studies wordt gehanteerd. Het Groeigetal is geïntroduceerd door de Volkskrant.

Percentage positief geteste personen via GGD-teststraten

De gegevens over de GGD teststraten worden dagelijks als open data gepubliceerd door het RIVM. Zie hier de beschrijving van deze dataset. Voor het berekenen van het percentage positief geteste mensen wordt alleen gekeken naar de tests die via de GGD plaatsvinden en waarvan de testuitslag bekend is. We bereken het zevendaags gemiddelde van de testuitslagen van tests die zijn afgenomen tot en met twee dagen geleden. Tests die daarna zijn afgenomen, worden niet meegenomen in de berekening omdat het tijd kost voordat de uitslag van een test binnen is. Zo weten we dat de meeste testuitslagen binnen zijn en het percentage positieve tests de verhouding juist weergeeft.

Het aantal besmettelijke mensen wordt twee keer per week (op dinsdag en vrijdag) beschikbaar gesteld via open data door het RIVM. Zie hier de beschrijving van deze dataset. Als iemand het nieuwe coronavirus oploopt, is deze persoon een tijd lang besmettelijk voor anderen. Hoe lang dit duurt, verschilt van persoon tot persoon. De schatting van het totale aantal besmettelijke personen gaat gepaard met onzekerheid. Het exacte aantal besmettingen is onbekend, maar we kunnen wel berekenen tussen welke waarden het zich waarschijnlijk bevindt. Zie ook de toelichting van het RIVM. Voor het aantal besmettelijke mensen is geen signaalwaarde beschikbaar omdat dit aantal een inschatting is gebaseerd op een berekening.

Tussen 1 juni en 13 oktober werd dit cijfer berekend op basis van de data uit de eerste ronde van het Pienter Corona onderzoek, het aantal ziekenhuisopnames en het aantal positieve testen. Vanaf 13 oktober wordt dit cijfer berekend op basis van de data uit de tweede ronde van het Pienter Corona onderzoek en het aantal ziekenhuisopnames. In de tweede ronde van het Pienter Corona onderzoek is een grotere groep mensen op een besmetting met het virus onderzocht. Ook is er meer inzicht gekregen of en hoe besmettelijk COVID-19-patienten zijn.

Het reproductiegetal (de ‘R’) geeft het gemiddeld aantal mensen dat besmet wordt door een persoon met COVID-19. Het reproductiegetal wordt twee keer per week (op dinsdag en vrijdag) beschikbaar gesteld via open data door het RIVM. Zie hier de beschrijving van deze dataset. Het reproductiegetal (R) is geen exacte waarde, maar een betrouwbare schatting. Zie ook de toelichting van het RIVM.

Voor de schatting van dit reproductiegetal gebruikt het RIVM het aantal gemelde positieve COVID-19 testuitslagen per dag. Voor een groot deel van de gemelde gevallen is de eerste ziektedag bekend, in andere gevallen wordt deze geschat. Als er geen sprake is van klachten gaat het RIVM uit van de dag waarop mensen klachten zouden hebben ontwikkeld als ze niet asymptomatisch waren.

Door het aantal COVID-19 gevallen per datum van eerste ziektedag weer te geven is direct te zien of het aantal infecties toeneemt, piekt of afneemt. Voor de berekening van het reproductiegetal is het ook nodig te weten wat de tijdsduur is tussen de eerste ziektedag van een COVID-19 geval en de eerste ziektedag van zijn of haar besmetter. Deze tijdsduur is gemiddeld 4 dagen, berekend op basis van COVID-19 meldingen aan de GGD. Met deze informatie wordt vervolgens de waarde van het reproductiegetal berekend.

Het Coronadashboard geeft als meest actuele waarde de R weer van minimaal twee weken geleden. Schattingen van het reproductiegetal R recenter dan 14 dagen geleden kunnen een indicator zijn voor de uiteindelijke waarde, maar zijn niet betrouwbaar als voorspeller. De betrouwbaarheid van de schatting wordt kleiner voor recentere dagen, omdat de meldingen voor recente dagen nog niet volledig gerapporteerd zijn en de aantallen meldingen voor toekomstige dagen nog niet bekend kunnen zijn.

Tot 12 juni werd het reproductiegetal berekend op basis van COVID-19 ziekenhuisopnames omdat er tot dan toe minder getest werd. Tot 3 november liet de tabel voor de laatste twee weken geen waarde voor R zien maar werd wel de boven- en ondergrens geprojecteerd in een soort ‘pluim’. Met ingang van 3 november is deze ‘pluim’ niet meer zichtbaar op het dashboard.

Deze gegevens worden dagelijks aangeleverd als open data door het RIVM. Zie hier een beschrijving van deze dataset. Het gaat om het aantal overleden COVID-19 patiënten dat gemeld is aan het RIVM in de afgelopen 24 uur. De datum die u ziet , is de datum van melding door de GGD bij het RIVM. Dat is dus niet hetzelfde als de datum waarop mensen zijn overleden. Het werkelijke aantal overleden COVID-19 patiënten is hoger dan het aantal overleden personen gemeld door het RIVM , omdat er geen meldingsplicht geldt voor overlijden aan COVID-19.

De grafiek met de leeftijdsverdeling op landelijk niveau is gebaseerd op een ander open databestand van het RIVM. Zie hier een beschrijving van deze dataset. Hierin wordt iedereen onder de 50 jaar in dezelfde leeftijdsgroep geplaatst, omdat die gegevens vanwege de kleine aantallen (in combinatie met de uitsplitsing van COVID-19-sterfte elders op het dashboard) herleidbaar zouden zijn tot individuen.

De algemene sterftecijfers (sterfte monitor) op landelijk niveau zijn afkomstig van een openbare tabel van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze cijfers op veiligheidsregio staan in een andere CBS tabel. Deze gegevens worden wekelijks bijgewerkt. De verwachte sterftegevallen per week zijn onderdeel van een eenmalige prognose van het CBS die per jaar opnieuw wordt gemaakt.

Dagelijks worden door het RIVM nieuwe ziekenhuisopnames beschikbaar gesteld als open data. Zie hier de beschrijving van deze dataset. Deze cijfers zijn ongeacht op welke afdeling (de gewone ziekenhuisafdeling of de Intensive Care afdeling, kortweg IC) een patiënt als eerste wordt opgenomen in het ziekenhuis.* Het RIVM baseert zich op informatie die wordt verzameld door Stichting NICE (Nationale Intensive Care Evaluatie). De stichting is opgericht door de beroepsgroep van intensivisten en verzorgt de registratie van beschikbare data van IC-afdelingen. Aan het begin van de eerste golf is deze registratie uitgebreid om ook opnames op de verpleegafdelingen te registreren.

Het kan voorkomen dat ziekenhuisopnames later gemeld worden. Op het dashboard tonen we het aantal meldingen van één dag. Doordat er elke dag meldingen ontbreken én meldingen bijkomen van eerdere dagen, geeft dit cijfer toch een goed beeld van de dagelijkse ziekenhuisopnames.

Voorheen gebruikte het dashboard cijfers uit de Osiris database. De gegevens in Osiris zijn voornamelijk afkomstig van de GGD’en. Osiris kent inmiddels echter een aanzienlijke onderrapportage van ziekenhuisopnames doordat de GGD’en niet altijd meer informatie krijgen over ziekenhuisopnames van Covid-patiënten. Het bestand van NICE is completer, maar hanteert ook een ruimere definitie van ziekenhuisopname. Osiris neemt alleen de patiënten mee die vanwege COVID-19 in het ziekenhuis liggen, terwijl NICE ook ziekenhuisopnames rapporteert van patiënten met COVID-19, maar die om een andere reden in het ziekenhuis zijn opgenomen.

De bezetting van gewone ziekenhuisbedden is exclusief IC bedden en wordt als open data beschikbaar gesteld door het LCPS. Zie hier de beschrijving van deze dataset. De gegevens vóór 1 juni 2020 zijn mogelijk minder betrouwbaar. Dit komt doordat het LCPS toen nog bezig was hun registratie op te zetten.

Het LCPS verzamelt sinds oktober 2020 ook cijfers over nieuwe ziekenhuisopnames. Toch gebruiken we de cijfers van NICE, en niet van het LCPS. Dit doen we omdat de cijfers van het LCPS alleen op geaggregeerd niveau beschikbaar zijn. Ze geven bijvoorbeeld geen informatie over de leeftijd en het geslacht van patiënten. Dat maakt de cijfers van het LCPS te beperkt voor dit dashboard en onbruikbaar voor het RIVM.

Er zijn verschillen tussen de twee registratiesystemen doordat ze zich op verschillende zaken richten: de bedbezetting (capaciteit; LCPS) versus patiënten (NICE). Een toename van de bezetting zegt maar voor een deel iets over het aantal nieuwe patiënten. Zo is een bed bijvoorbeeld niet meteen beschikbaar als er een patiënt is ontslagen. Ook is het mogelijk dat één bed gedurende de dag door meerdere patiënten bezet wordt. Beide dataverzamelingen bevatten dus verschillende gegevens en dienen andere doelen. De cijfers zijn niet zonder meer uitwisselbaar.

*Het dashboard maakt sinds 17 december 2020 voor ziekenhuisopnames gebruik van deze dataset. Tot 26 januari 2021 werd bij dit cijfer vermeld dat dit het dagelijks aantal ziekenhuisopnames is exclusief IC-opnames. Dit klopte niet: in dit cijfer worden ook patiënten meegeteld die direct van buiten het ziekenhuis op de IC zijn opgenomen. Per 26 januari 2021 is de toelichting op de cijfers hierop aangepast.

Dagelijks worden door het RIVM nieuwe IC-opnames beschikbaar gesteld als open data. Zie hier de beschrijving van deze dataset. Het RIVM baseert zich op informatie die wordt verzameld door Stichting NICE (Nationale Intensive Care Evaluatie). De stichting is opgericht door de beroepsgroep van intensivisten en verzorgt de registratie van beschikbare data van IC-afdelingen.

De bezetting van IC-bedden wordt verkregen via open data van het LCPS. Zie hier de beschrijving van deze dataset. Daarin staan zowel het aantal IC-bedden bezet door COVID-19 patiënten, als het aantal IC-bedden bezet door overige patiënten. Het percentage IC-bedden met COVID-19 patiënten wordt berekend door het aantal IC-bedden bezet met COVID-19 patiënten, te delen door het totaal aantal bezette IC-bedden. De gegevens vóór 1 juni 2020 zijn mogelijk minder betrouwbaar. Dit komt doordat het LCPS toen nog bezig was hun registratie op te zetten.

De IC-opnames die via het RIVM worden gemeld, zijn inclusief eventuele IC-opnames van Nederlandse patiënten in Duitse ziekenhuizen. De bezetting van IC-bedden is exclusief eventuele Nederlandse patiënten in Duitsland. Dat komt omdat het eerste cijfer primair bedoeld is om verspreiding van COVID-19 en het effect op het ziekteverloop in kaart te brengen. Het tweede cijfer is primair bedoeld om capaciteit op Nederlandse IC’s te tonen

De informatie over verpleeghuiszorg wordt dagelijks beschikbaar gesteld via open data door het RIVM. Zie hier de beschrijving van deze dataset. In de aangeleverde gegevens is soms de veiligheidsregio onbekend. Dit heeft als gevolg dat het totaal van de weergegeven cijfers op veiligheidsregio niveau, minder kan zijn dan wat er op landelijk niveau wordt getoond. Het aantal overleden verpleeghuisbewoners wordt getoond op basis van de datum van overlijden. De overlijdensdatum is echter niet altijd bekend. Als dit zo is, dan zijn die gevallen niet op het dashboard zichtbaar.

De manier waarop ingeschat wordt hoeveel verpleeghuisbewoners en verpleeghuislocaties zijn besmet met corona is verbeterd. Sinds 1 juli registreren de GGD’en bij iedere melding of een nieuw besmette persoon in een verpleeghuis woont. Tot eind september 2020 werd deze informatie echter niet benut en werden de aantallen via een andere methode geschat. Dit leidde tot een flinke overschatting van het aantal besmette verpleeghuislocaties. De cijfers op het dashboard geven daardoor vanaf 29 september - met terugwerkende kracht vanaf 1 juli - een veel beter beeld van het werkelijke aantal besmette personen en verpleeghuislocaties.

Oude definitie verpleeghuisbewoner: Iemand wordt als een verpleeghuisbewoner geteld wanneer deze volgens het centrale administratiesysteem (OSIRIS): Op basis van zijn postcode gekoppeld kan worden aan een bekende verpleeghuislocatie of woonzorgcentrum voor ouderen óf een setting (plaats waar de besmetting mogelijk heeft plaatsgevonden) ‘Verpleeghuis’ of een daaraan gerelateerde term heeft óf aan de hand van een andere term in het systeem in verband gebracht kan worden aan een verpleeghuis of woonzorgcentrum voor ouderen. Daarnaast moet de persoon

  • ouder zijn dan 70 jaar én
  • geen gezondheidsmedewerker zijn én
  • geen beroep hebben.

Nieuwe definitie verpleeghuisbewoner: Sinds 1 juli vraagt de GGD voor iedere nieuw positief geteste persoon of dit een verpleeghuisbewoner of een bewoner van een woonzorgcentrum voor ouderen is. Deze informatie wordt gebruikt voor de nieuwe definitie. Iemand wordt als een verpleeghuisbewoner aangemerkt wanneer deze volgens de gegevens van OSIRIS

  • Een bewoner is van een verpleeghuis of van een woonzorgcentrum voor ouderen.
  • Indien het onbekend is of een persoon in een verpleeghuis of een woonzorgcentrum voor ouderen woont, wordt de oude definitie gebruikt.

Het totaal aantal verpleeghuislocaties per veiligheidsregio is door het RIVM aangeleverd. Eventuele verpleeghuizen met dezelfde postcode worden hierbij gerekend tot één verpleeghuislocatie. Dit is gedaan omdat het aantal besmette locaties ook met dezelfde logica wordt bepaald. Het totaal aantal verpleeghuislocaties per veiligheidsregio is nodig om het percentage besmette verpleeghuislocaties te berekenen. Voor het landelijke totaal aantal verpleeghuislocaties, worden de totalen van alle veiligheidsregio's bij elkaar opgeteld.

De informatie over gehandicaptenzorg wordt dagelijks beschikbaar gesteld via open data door het RIVM. Zie hier de beschrijving van deze dataset.

In de aangeleverde gegevens is soms de veiligheidsregio onbekend. Dit heeft als gevolg dat het totaal van de weergegeven cijfers op veiligheidsregio niveau minder kan zijn dan wat er op landelijk niveau wordt getoond. Het aantal overleden personen wordt getoond op basis van de datum van overlijden. De overlijdensdatum is echter niet altijd bekend. Als dit zo is, dan zijn die gevallen niet op het dashboard zichtbaar.

Met locaties worden de 2586 locaties bedoeld die volgens Zorgkaart Nederland bekend zijn als woning voor personen met een beperking in Nederland. Het totaal aantal locaties per veiligheidsregio is door het RIVM aangeleverd. Locaties met dezelfde postcode worden hierbij gerekend tot één locatie. Dit is gedaan omdat het aantal besmette locaties ook met dezelfde logica wordt bepaald. Het totaal aantal locaties per veiligheidsregio is nodig om het percentage besmette locaties te berekenen. Voor het landelijke totaal aantal locaties, worden de totalen van alle veiligheidsregio's bij elkaar opgeteld.

Voor de gehandicaptenzorg wordt net als bij de verpleeghuizen gebruik gemaakt van de registratie van de GGD’en. Sinds 1 juli vraagt de GGD voor iedere nieuw positief geteste persoon of dit een bewoner is van een gehandicapteninstelling. Iemand wordt als een bewoner van een gehandicapteninstelling aangemerkt wanneer deze volgens de gegevens van OSIRIS (de database die het RIVM hiervoor hanteert) blijkt dat het een bewoner is van een gehandicapteninstelling. Indien het onbekend is of een persoon in een instelling voor gehandicaptenzorg woont, wordt iemand meegeteld wanneer deze ‘gehandicaptenzorginstelling’ als locatie van de besmetting heeft en geen zorgmedewerker is, of op basis van de inhoud van vrije tekstvelden gelinkt kan worden aan een gehandicaptenzorginstelling en geen zorgmedewerker is.

De informatie over thuiswonende 70-plussers wordt dagelijks beschikbaar gesteld via open data door het RIVM. Zie hier de beschrijving van deze dataset. In de aangeleverde gegevens is soms de veiligheidsregio onbekend. Dit heeft als gevolg dat het totaal van de weergegeven cijfers op veiligheidsregio niveau minder kan zijn dan wat er op landelijk niveau wordt getoond. Het aantal overleden personen wordt getoond op basis van de datum van overlijden. De overlijdensdatum is echter niet altijd bekend. Als de datum niet bekend is, dan zijn die gevallen niet op het dashboard zichtbaar.

Het RIVM baseert zich op testresultaten en sterfgevallen zoals door de GGD’ en bij het RIVM gemeld. Bij het melden van een positieve testuitslag door de GGD wordt (onder meer) geregistreerd hoe oud iemand is en of de persoon in een verpleeghuis of instelling voor gehandicaptenzorg woont. Het RIVM stelt het aantal (nieuwe) besmettingen van thuiswonenden van 70 jaar of ouder vast door het totaal aantal (nieuwe) besmettingen in de leeftijdsklasse 70 jaar of ouder vast te stellen en daarop in mindering te brengen het aantal besmettingen:

  • Onder bewoners van een instelling;
  • Onder mensen die werkzaam zijn in de zorg;
  • Onder mensen die via hun adres gelinkt kunnen worden aan een verpleeghuis of een locatie voor gehandicaptenzorg;
  • Onder mensen die op basis van de locatie van besmetting gelinkt kunnen worden aan een verpleeghuis of een locatie voor gehandicaptenzorg.

De groep thuiswonenden van 70 jaar is een diverse groep ten aanzien van de woonsituatie en gezondheidssituatie. Een groot deel van de 70-plussers is vitaal en heeft een goede gezondheid. Een ander deel heeft één of meerdere chronische aandoeningen of fysieke of cognitieve beperkingen en is minder vitaal. Op dit moment is het nog niet mogelijk op het dashboard een onderscheid aan te brengen tussen de besmettingen onder vitale en minder vitale thuiswonende ouderen omdat deze informatie niet standaard wordt vastgelegd wanneer een coronatest wordt afgenomen.

Het dashboard toont welk deel van de thuiswonende ouderen van 70 jaar of ouder die dag besmet is geraakt. Voor totaal aantal thuiswonende ouderen van 70 jaar is gebruik gemaakt van gegevens van het CBS over het aantal personen van 70 jaar dat in een particulier huishouden woont (StatLine - Huishoudens; personen naar geslacht, leeftijd en regio, 1 januari (cbs.nl). Het gaat in totaal om 2,3 mln. personen.

Welke cijfers laten we zien?

We laten op het coronadashboard het aantal coronavirusdeeltjes zien in het rioolwater. Dat doen we landelijk, regionaal en per gemeente. Het aantal virusdeeltjes is omgerekend naar 100.000 inwoners. Dit maakt het mogelijk om regio’s met elkaar te vergelijken.

Wat zeggen deze cijfers?

In rioolwater kun je ziekteverwekkers zoals het coronavirus meten doordat die met ontlasting via de wc in het rioolwater komen. Dit onderzoek laat zien hoeveel virusdeeltjes uit ontlasting van besmette personen in het rioolwater zitten. Rioolwateronderzoek kan op termijn helpen om vroeg in de gaten te krijgen of het coronavirus rondgaat in een gemeenschap, los van de standaard coronatests. Ook kunnen de testresultaten helpen om effecten van vaccinatie en immuniteit in kaart te brengen. Met dit onderzoek wordt ervaring opgedaan die in de toekomst van pas kan komen.

Hoe precies zijn de cijfers?

In het huidige onderzoek kunnen trends in aantallen virusdeeltjes worden gezien, zoals een stijging of daling. Er is meer onderzoek nodig om conclusies te trekken uit zulke trends.

In het afvalwater dat rioolwaterzuiveringsinstallaties verwerken zit onder andere ook regenwater. Bij het bepalen van het aantal virusdeeltjes wordt hier rekening mee gehouden.

Bij een meting kan het aantal virusdeeltjes in het rioolwater zo laag zijn, dat het niet gemeten wordt. Dan staat de meetwaarde op 0.

Waar komen de cijfers vandaan?

De rioolwatermetingen worden gedaan bij 315 rioolwaterzuiveringsinstallaties in het hele land en geven dus informatie voor heel Nederland. Vanuit de rioolwaterzuiveringsinstallaties gaan monsters van ongezuiverd rioolwater gekoeld naar het RIVM. Onderzoekers van het RIVM analyseren deze monsters en zoeken uit hoeveel coronavirusdeeltjes erin zitten. Voor elke locatie analyseren de onderzoekers minimaal eens per week rioolwater dat in 24 uur verzameld is. Per week kan het aantal succesvolle metingen variëren. In de open data staat per datum bij welke locaties met succes gemeten is.

Berekening cijfers

Het CBS heeft in samenwerking met de waterschappen het aantal aangesloten inwoners per rioolwaterzuiveringsinstallatie in kaart gebracht. Dit stelt het RIVM in staat om het aantal virusdeeltjes per 100.000 inwoners te berekenen.

Verandering bronnen

De cijfers over rioolwater worden beschikbaar gesteld via open data door het RIVM. Klik voor deze bestanden op de links onder het kopje 'Waar komen deze cijfers vandaan'. Let op dat het formaat van dit bestand per 4 maart 2021 is vereenvoudigd.

Veranderingen berekeningen

In 2020 zijn twee meetlocaties opgeheven en de gebieden hiervan zijn overgenomen door twee andere locaties. In de week van 5 oktober is locatie Aalst door Zaltbommel overgenomen, en in de week van 7 december is locatie Lienden door Tiel overgenomen. Hierdoor wordt vóór deze weken met een verlaagd inwonersaantal gerekend voor locatie Zaltbommel en Tiel. Deze aantallen, en die van Aalst en Lienden, zijn te vinden in de 2020 versie van de tabel van het CBS.

Vanaf 4 maart 2021 worden op het dashboard ook van de gemeenten die geen eigen rioolwaterzuivering hebben de rioolmetingen weergegeven. Door de metingen van de rioolwaterzuiveringen te gebruiken waar deze gemeenten op aangesloten zijn, en met behulp van bevolkingscijfers van het CBS, kunnen we ook voor de gemeenten zonder eigen rioolwaterzuivering berekenen hoeveel virusdeeltjes er in het rioolwater zitten. En omdat de weergave per 100.000 inwoners is, zijn die cijfers vergelijkbaar met andere gemeenten. Deze nieuwe berekening leidt tot andere waarden op landelijk, regionaal en gemeenteniveau. Kijk onder het kopje ‘Berekening cijfers’ hierboven voor de rekenmethode.

Informatie over huisartsen worden wekelijks (op donderdag) beschikbaar gesteld via open data door Nivel. Zie hier de beschrijving van deze dataset. Van een representatieve steekproef van zo’n 350 huisartsenpraktijken uit heel Nederland ontvangt Nivel wekelijks gegevens over verleende zorg aan hun patiënten. Op basis hiervan berekent Nivel het aantal patiënten met COVID-19-achtige klachten in de afgelopen week. Dit doet het Nivel op basis van diagnosecodes die door de huisartsen worden aangevinkt (‘Acute infectie bovenste luchtwegen’, ‘Andere infectie(s) luchtwegen’, ‘Influenza’, ‘Pneumonie’, ‘Andere virusziekte(n)’, ’Andere infectieziekte’, ‘Koorts’, ‘Benauwdheid’, ‘Hoesten’ ) en aanvullende omschrijvingen van de huisarts die wijzen op COVID-19-achtige klachten.

Om een grotere precisie te bereiken, berekent het Nivel ook de cijfers van de voorgaande weken opnieuw. Ze nemen daarbij eventueel later bekend geworden gegevens mee. Het open data rapporteert de aantallen per week.

Deze gegevens worden elke drie weken geactualiseerd en als open databestand gepubliceerd door het RIVM. Zie hier de beschrijving van deze dataset. Op de dag dat het nieuwe bestand beschikbaar is, worden ook de gegevens op het Coronadashboard geactualiseerd. Het databestand bevat gegevens over het gedrag van de Nederlandse bevolking in relatie tot de corona gedragsregels. De basis hiervoor is een enquête.

De dataverzameling vindt telkens plaats via het internet (CAWI). Bij deze methode wordt de geprogrammeerde vragenlijst op internet geplaatst. De uitnodigingen voor het invullen van de enquête worden via e-mail verzonden. In de uitnodiging wordt het doel van het onderzoek toegelicht en RIVM als opdrachtgever genoemd. De Gedragsunit van het RIVM heeft de vragenlijst opgesteld.

De deelnemers aan het onderzoek zijn geselecteerd uit het Kantar Consumentenpanel (NIPObase). De steekproef bestaat uit respondenten van 16 jaar en ouder. De steekproeven zijn per veiligheidsregio representatief uitgezet naar geslacht, leeftijd (5 categorieën) en hoogst gevolgde opleiding (3 categorieën) (op randtotalen). Er is uitgegaan van een respons van 50%, waarbij een bruto steekproef van n=9.780 is uitgezet.

De steekproef is gedurende een week online beschikbaar voor de respondenten. Daarna wordt de dataverzameling afgesloten. Er vindt een controle plaats op de betrouwbaarheid van de antwoorden. Om de representativiteit voor de Nederlandse bevolking te verhogen worden de resultaten in twee stappen gewogen op basis van de de CBS populatiecijfers:

  1. Eerst is elke veiligheidsregio gewogen naar de ideaalcijfers van desbetreffende regio (op Sekse, Leeftijd en Opleiding).
  2. Vervolgens is elke veiligheidsregio ‘ingewogen’ in het totaal volgens het aandeel dat desbetreffende regio heeft in Nederland

Vervolgens wordt de dataset verstuurd naar het RIVM. Het RIVM berekent op een gestandaardiseerde manier de indicatoren die in het open databestand zijn opgenomen.

De CoronaMelder-app is ontwikkeld door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in samenwerking met het RIVM en de GGD’en. CoronaMelder stuurt gebruikers een bericht wanneer zij langere tijd in de buurt zijn geweest van iemand die besmet is met het coronavirus. Ook vertelt de app wat je het beste kunt doen als je zo’n bericht krijgt.

Hoe meer mensen CoronaMelder gebruiken, hoe meer mensen waarmee besmette personen in contact zijn geweest een waarschuwing krijgen. De app ziet via bluetooth of je dicht bij iemand bent geweest die ook de app heeft. De app werkt zonder je locatie, naam, mailadres, telefoonnummer of andere contactgegevens. De app weet niet wie jij bent, wie de ander is of waar jullie zijn. Op de website van CoronaMelder staat uitgebreid uitgelegd hoe de app werkt.

Er wordt doorlopend onderzoek gedaan naar het gebruik van de app. Het meest recente rapport is beschikbaar op de website van CoronaMelder. De cijfers op dit dashboard over de app worden dagelijks bijgewerkt. Voor een uitgebreide beschrijving van de dataset kijk hier.

Dit dashboard is in korte tijd tot stand gekomen. Het is daarom nog niet gelukt om de code voor het inlezen van de data en het construeren van de JSON- bestanden open source beschikbaar te stellen. Dit zal binnen afzienbare tijd beschikbaar worden gesteld. De code van de webapplicatie is op 5 juni 2020 gepubliceerd op GitHub. De databerekeningen zijn ook beschikbaar via Github.

In de tegels van het dashboard wordt de term “Waarde van” gebruikt om aan te geven op wanneer de getoonde waarde betrekking heeft. De term “Verkregen op” wordt gebruikt om aan te geven wanneer de data is ontvangen. Het doel is duidelijker te maken hoe actueel de data is, met name voor indicatoren die altijd terugkijken. Reproductiegetal R bijvoorbeeld wordt één keer per week gepubliceerd door het RIVM maar de waarde voor de laatste bekende R betreft altijd een datum van twee weken geleden. We melden dan bij “Waarde van” de datum van twee weken geleden en “Verkregen op” wanneer de R-waarde voor het laatst is gepubliceerd is door het RIVM (deze week).

Per 1 januari 2021 zijn verschillende gemeentes samengevoegd. Het RIVM heeft deze herindeling verwerkt per 7 januari in de data die het aanlevert voor het Coronadashboard. Ook zijn de gemeente en veiligheidsregio kaarten op het dashboard aangepast om de gewijzigde grenzen te tonen. De historische cijfers uit 2020 voor gemeenten die inmiddels niet meer bestaan, zijn toegevoegd aan de gemeenten waarmee ze zijn samengevoegd.

Het zevendaags gemiddelde is het gemiddelde van de afgelopen zeven dagen. Door verschillen per dag kunnen grafieken op basis van dagelijkse cijfers een wisselend beeld geven. Door alle meldingen van een week op te tellen en te delen door het aantal dagen in de week, ontstaat een zevendaags gemiddelde. Dit geeft een overzichtelijk beeld van de trend.

Disclaimer